Familieverhalen

Start
Omhoog

 

Familieverhalen

Waarover men vroeger enkel in intieme kring sprak

Ida Van Gerven met medewerking van de redactie

Veel van onze leden weten met hoeveel taboes de mensen vroeger leefden; onderwerpen, feiten, gebeurtenissen waarover nooit of zeer zelden, en dan nog in beperkte kring, gesproken werd. In de familie Van Gerven-De Wit, de ouders van Ida, was er blijkbaar meer openheid, zodat een aantal verhalen zijn doorverteld. Ze schetsen een tijdsbeeld, waarin mensen andere prioriteiten legden en voor nu niet meer gekende problemen oplossingen probeerden te bedenken.   

Het verhaal van (te) grote kinderrijkdom

De grootouders van Ida (Van Gerven-Smets) hadden sinds hun huwelijk begin twintigste eeuw op drie jaar tijd drie kinderen gekregen. Eigenlijk was dit van het goede te veel en grootvader stelde voor dat hij voortaan boven bij de kinderen zou slapen.  Zo sloegen ze, vond hij, twee vliegen in één klap: zijn vrouw, verzwakt door de opeenvolgende bevallingen en de zorg voor drie kleine kinderen, kon zonder kindergeschrei ongestoord slapen en de verleiding om nog meer kindjes te maken was van de baan. De aanpak bleek waterdicht en het daaropvolgende jaar kwam er geen baby bij in het gezin. Toen kwam er echter een kink in de kabel. Ze werden uitgenodigd op een trouwfeest in Wallonië en zouden daar blijven overnachten. Als getrouwd koppel was het logisch om samen te slapen en het volgende jaar werd er …. een eeneiige tweeling geboren. Eén van de tweelingbroers was de vader van Ida en op een latere familiefoto weet ze daarom niet wie van de identieke broers haar vader is. Na de geboorte van de tweeling werd het probleem opnieuw acuut en grootvader schreef, in het Nederlands, naar de latere kardinaal Mercier, toen aartsbisschop van Mechelen. Hij legde uit dat zijn vrouw overbelast was met vijf kleine kinderen en een nieuwe zwangerschap niet aankon en vroeg hoe ze dit probleem moesten aanpakken. Er kwam geen antwoord. Alhoewel Désiré-Joseph Mercier Nederlands kende kreeg grootvader Van Gerven het advies een tweede brief te schrijven, deze keer in het Frans. Maar opnieuw kwam er geen antwoord. De visie van de kerk was tot na de Tweede Wereldoorlog dat geslachtsgemeenschap enkel mocht dienen om kinderen te verwekken en ze stelde zich geen vragen hoe dit spoorde met de realiteit. In het gezin Van Gerven werden na de tweeling nog zes kinderen geboren. Met elf klein mannen was er weinig rust, want er zaten natuurlijk ook deugnieten tussen. Toen op een keer de buren kwamen verwittigen dat er drie op de nok van het dak zaten, antwoordde hun moeder gelaten: Laat ze maar zitten, dan ben ik eens eventjes gerust.

Voor de oud-leerlingen van het Heilig Graf nog dit: één van de elf kinderen was Maria, later zuster Dominica, bijgenaamd Dikke Dom en leerkracht wiskunde in hun school. Als gevolg van haar corpulentie en te warme kloosterkleding zweette ze altijd enorm. Met haar voorschoot depte ze het zweet  en met haar mouwen veegde ze langs het krijt op het bord. Zo raakte zweet en krijt vermengd op het gezicht van de arme zuster, tot heimelijk plezier van haar leerlingen.

Het verhaal van nonkel Karel

De oudste zoon in het gezin van elf was Karel geboren in 1903. In 1920 trad hij in bij de Dominicanen en werd in 1926 tot priester gewijd. De provinciaal beloofde aan zijn moeder dat haar zoon niet naar de missies zou worden gezonden zolang zij leefde. Na het overlijden van haar dochter Gabrielle in 1916 aan vliegende tering en de dood van haar anderhalf jaar oude zoontje Alberreke in 1917 kon zij het niet aan om nog een kind te verliezen. Toch vertrok Karel in 1929 naar Niangara in Congo-Kinshasa en kort na zijn vertrek stierf zijn moeder. Later hoorde de familie van andere Dominicanen dat het breken van de belofte door de provinciaal en het wegsturen van Karel naar de missies eigenlijk een straf was geweest. In zijn preek tijdens de inwijdingsmis in 1928 van collega-dominicaan Toon de Wit, de broer van de moeder van Ida,  had hij iets te veel de nadruk gelegd op zijn Vlaamsgezindheid. In de bombastische taal van toen klonk het: Ga dan priester van God en Vlaanderen, ga met die laaiende liefde die zich wil uitstorten over uw lieve Vlaamsche volk, en waar gij treedt langs Vlaanderens wegen, werp met volle hand het goede zaad over ’t heerlijke Vlaanderen, dat wachtende staat. Na twee jaar missiewerk stierf Karel in mysterieuze omstandigheden een pijnlijke dood  in Afrika. Tijdens een bezoek aan de dorpstovenaar werd hij waarschijnlijk door deze vergiftigd uit jaloezie wegens een te grote invloed op de dorpsgenoten. Dit feit is echter nooit, in tegenstelling tot de reden voor het wegsturen, officieel door de orde bevestigd.

Het verhaal van nonkel Leo

Het zesde kind en de vierde zoon in het gezin van elf was Leo, geboren in 1907. Hij was Benedictijn in Afflighem en had de kloostermolen onder zijn beheer. Hij stond in voor het malen van het koren tot bloem voor het bakken van hosties. Tijdens de Tweede Wereldoorlog verstopte hij neergeschoten Engelse vliegeniers. Hij werd verraden en werd ter verantwoording geroepen op de Kommandantur. Zijn uitleg was echter waterdicht: in de regel van de Benedictijnen staat dat ze bedelaars en vluchtelingen drie dagen onderdak moeten geven en dat was, volgens hem, precies wat hij had gedaan. De Kommandant nam de uitleg aan en Leo werd niet gestraft. Op het einde van de oorlog na de Duitse bezetting verstopte hij, in toepassing van dezelfde regel, ook deserteurs en collaborateurs (zwarten). Opnieuw werd hij ter verantwoording geroepen, nu door het Belgische gerecht, en ter dood veroordeeld. Het feit dat hij eerder niet door de Duitsers werd gestraft, was een bezwarend element en werd beschouwd als een bewijs van collaboratie. Leo kon ontsnappen en vluchtte naar Transvaal waar hij missionaris werd.     

Het verhaal van tante Lies

Jos vormde met Lode de tweeling in het gezin van elf en was getrouwd met Mia De Wit. Ze waren de ouders van Ida en woonden in de Warandestraat op nummer 8. Naast hen op nummer 6 was het kantkantoor Huygens-De Wit, uitgebaat door Lies, de zus van Mia. De twee huizen waren oorspronkelijk van hun vader Ignace (ook Nasie genoemd) die er een drogisterij uitbaatte. Cato (ledenblad nr. 9, mei 2011), de zus van Ignace, was directrice van de Turnhoutse gemeenteschool in de Gemeentestraat en toen Lies zes jaar werd, schiep dit een enorm probleem. Tante Cato verwachtte immers dat haar nichtje in haar school les zou volgen en niet in het Klein Graf, zoals gepland. De gemeenteschool, waar neutraal onderwijs gegeven werd, had echter  niet zo’n goede naam in christelijke gezinnen. Om de lange tenen van de tante te ontzien werd Lies daarom naar het pensionaat van de Ursulinnen in Gierle gestuurd. Haar driejarige zus Mia moest met haar mee om de pil voor haar wat te vergulden.

© Dani Bellemans & Het Bezemklokje 2011-2018
laatste wijziging op 05/07/2019