De WKZ

Start
Omhoog

 

De WKZ

Ouderwetse gezelligheid en samenhorigheid

Ria Sak met medewerking van de redactie        

De WKZ (Watertoren, Warandestraat, Kasteelplein en Zegeplein) werd opgericht kort voor de Tweede Wereldoorlog en was een vereniging van iedereen die in deze straten woonde. Onze  familie had een huis in de Begijnenstraat, maar doordat deze huizen uitkwamen aan het Kasteel, behoorden wij net als de andere bewoners van deze straat ook tot de vereniging. De initiatiefnemers, zeg maar het bestuur, kwamen uit de gegoede families, organiseerden allerlei activiteiten en zorgden tegelijkertijd ook voor de sponsoring. In de WKZ was er dan ook geen onderscheid tussen het ‘chic volk’ en de armere mensen, die door de sponsoring voor geen enkele activiteit moesten betalen.

Bestuur

Albert Peeters bekleedde als stichter het burgemeestersambt van de vereniging. Hij was ongetrouwd en woonde op het Kasteelplein in de buurt van bakker Jan Raeymaekers (later bakker Dierckx) rechts van het Sint-Victorinstituut. Zijn naaste medewerker was zijn tante, door iedereen ‘matante’ genoemd. Zij was de vrouw van Hein Martens, nonkel Hein, en ze woonden op de Merodelei met een ‘achteruit’ in de Zandstraat. Nonkel Hein had een groothandel in schoenen verwant aan de schoenwinkel Martens-Paggers in de Gasthuisstraat (zie ledenblad nummer 23, december 2014). ‘Matante’ had geen kinderen en was nooit thuis. Altijd was ze actief voor de WKZ en zonder haar kon er niets doorgaan. De meeste mensen dachten daarom dat zij ook aan het Kasteel woonde. ‘Matante’ was altijd vrolijk en kende ontelbare moppen, in die tijd niet vanzelfsprekend voor een vrouw. Ze was echter ook verschrikkelijk gierig. Yvan Beyens, de zoon van Miss Moka en petekind van nonkel Hein, kreeg daarom zijn zondagse ‘pré’ altijd als matante het niet zag.

Andere leden van het WKZ-bestuur waren de uitbaters van de Citroëngarage, de heren Beccu en Bellekens. Mijnheer Bellekens was niet getrouwd en woonde samen met zijn ongetrouwde zuster Yvonne. Veel Turnhoutenaars herinneren zich nog dat hij voor het café van Jan Pompier op het Zegeplein werd verpletterd door een auto. Ook mijnheer Van Loon die naast het huidige Taxandriamuseum woonde, mijnheer Van Ravensteyn van de wapenwinkel in de Warandestraat en Jos Lefèvre van de Scala waren actieve bestuursleden, net als Nasje de Wit, Jos Sak (onze pa), Theo Van Deun, kapper in de Warandestraat naast de Kasteelstraat, en Jan Pompier. Iedereen werd aangesproken met mijnheer en mevrouw en Albert Peeters met burgemeester.

Heel veel vrijwillige inzet

Actieve medewerkers waren mijnheer en mevrouw Verschueren uit het verbindingsstraatje tussen het Kasteelplein en de Begijnenstraat. Mijnheer werkte ‘bij den tram’ en mevrouw had een snoepwinkeltje. Ook Adriaensen van de groentewinkel, de familie van café Van Seeters en Leo(ke) Van Beeck uit de winkel van schoolgerief stonden altijd klaar om bij activiteiten te helpen.
Opa Lungen, een statige Nederlandse oud-kolonel, vandaar opa, was verwant aan Marie Metten, mijn Nederlandse grootmoeder. Hij woonde vooraan in de Begijnenstraat naast Louis Glenisson en vond de georganiseerde activiteiten van de WKZ geweldig. Zelf liet hij zich ook niet onbetuigd en richtte dansavonden in bij hem thuis. Hij leerde de kinderen niet alleen dansen, maar ook bridgen. Iedereen dacht dat hij arm was en ik, Ria, stopte hem stiekem eten toe, afkomstig uit de ouderlijke keuken. Op zijn sterfbed bekeerde deze protestantse militair zich op de valreep nog tot het katholicisme onder invloed van zijn zeer gelovige kleindochter Viviane (Mickey). Viviane sprak aanvankelijk enkel Engels, omdat haar moeder een Engelse was, maar leerde bij haar opa correct Nederlands.

Wie zelf niet meedeed aan de activiteiten was mijnheer Van Ravenstyn (met de nadruk op de laatste lettergreep) uit het statige herenhuis in de Warandestraat. Zijn kinderen Cis, Jef, Paul, Michel, Marie-Christine, Jeanne en Christine waren des te actiever. Zij zorgden ook voor de eendjes in de vijver van het Kasteel en bouwden voor deze dieren zelfs een rusteilandje in het water. Dit gaf ons, kinderen Sak, een ideaal excuus om in de kasteelgrachten te zwemmen. Dit was verboden en als de politie ons kwam wegjagen zegden we : We moesten de eendjes van het eilandje in het water helpen.Tijdens de winter was er uiteraard heel wat ijspret op het kasteelwater. Van heinde en ver kwamen er schaatsers afgezakt. Op de bermen werden de schaatsen aangebonden en van op de tuinmuurtjes zorgden radio’s voor begeleidende muziek bij het schaatsen. Als er ook onder de brug mocht worden geschaatst, wat om veiligheidsredenen niet dikwijls gebeurde, werd het natuurlijk helemaal te dol. Als ‘après-schaats’ werd door sommigen warme chocolademelk meegebracht.

Allerlei activiteiten

De feesten van de WKZ vonden meestal plaats rond het Kasteel. Soms was er Vlaamse kermis met kraampjes en elk jaar werden er verkleedpartijen voor de kinderen georganiseerd. Het thema was telkens anders en zo namen er dan eens boeren en boerinnen, dan eens  kabouters aan de festiviteiten deel. Ook de ‘grote mensen’ waren dan verkleed.
De jaarlijkse processie, waarin het Onze Lieve Vrouwbeeld werd rondgedragen, maakte een  grote toer door de belangrijkste straten van Turnhout.Een andere stoet maakte gebruik van een bolderwagen, bezit van de WKZ, waarop een stoel was vastgemaakt. Op die stoel zat ik, Ria, met mijn accordeon. Hoe de ambiance was, laat zich raden! Weken vooraf waren de kinderen al in de weer met het maken van vlaggetjes om de boel op te vrolijken. Soms werden de fietsen omgebouwd tot bootjes waaraan dan ook vlaggetjes werden bevestigd.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden de WKZ-activiteiten twee keer noodgedwongen opgeschort. Een eerste keer bij het begin van de bezetting, toen de Duitsers het Kasteel innamen en alle huizen in de buurt om veiligheidsredenen werden ontruimd. De bewoners werden opgevangen door familie of kennissen, ons gezin door de familie Boenders in de Otterstraat. Pas in 1942 was iedereen terug en gingen er opnieuw feesten door. Een tweede evacuatie was nodig tijdens de ‘vliegende bommen’ (Duitse V-bommen) op het einde van de oorlog. Toen vond onze familie, via Stan Diels, een vriend van mijn vader, een onderkomen in de fabriek van Van Deun-Poppeliers.

In 1945 waren alle problemen gelukkig achter de rug en kon de WKZ-gezelligheid opnieuw hoogtij vieren. Een nieuw hoogtepunt was het bezoek van prinses Josephine Charlotte aan Turnhout. De prinses moest te voet van de Grote Markt naar het Kasteel met onaangepaste schoenen. Iedereen aan het Kasteel was de les gespeld : Toon respect voor de prinses ! Maar de Turnhoutse hartelijkheid besliste anders en Vaderke Peenen, die bij zijn dochter in de conciërgewoning op het Kasteel woonde riep : Doe ne goëndag on ollie voader, waarmee hij koning Leopold III bedoelde.

Rond 1950 kwam stilaan een einde aan de WKZ. De jeugd trouwde en zwermde uit en de ouderen overleden. Maar de vriendschap bleef en daarmee ook de  vele leuke herinneringen.

© Dani Bellemans & Het Bezemklokje 2011-2018
laatste wijziging op 30/01/2019