Roodkapje

Start
Omhoog

 

Roodkapje is niet enkel een sprookjesfiguur!

 Erika Wouters en Gil Tack, met veel dank aan Marguerite Raedts, Lucienne Sels en Ida Van Gerven

In 1942, het was toen volop oorlog, vond zuster Anselma van het Heilig Graf, dat er in Turnhout nood was aan een jeugdbeweging voor meisjes uit de lagere school. Zij sprak er Marguerite Raedts over aan en die ging aan de slag, want al van jongs af hield zij van organiseren. Hoe één en ander toen is verlopen, wilde Het Bezemklokje wel eens weten en ging daarom op bezoek bij mevrouw Raedts in het centrum van Turnhout.

Zij is een geboren Turnhoutse en woonde met haar ouders op het Zegeplein in een huis van baron Dufour, rechts van de apotheek Clerinx. Tijdens de oorlog was ze lid van de VKSJ (Vrouwelijke Katholieke Studerende Jeugd), opgericht in 1930. Als 20-jarige behaalde zij in het Heilig Graf haar diploma van regentes richting Wetenschappen.

De eerste jaren

Een geschikt lokaal vinden was voor een pas opgerichte vereniging toen zeker een moeilijke zaak. In de gebouwen van het Heilig Graf kon dit niet, omdat de spelende meisjes te veel lawaai zouden maken. Gelukkig vonden ze een onderkomen in de voormalige Apostoliekenschool (Apostoliekenstraat), die het jaar daarvoor door het Heilig Graf was aangekocht. In de volgende jaren vonden ze bij momenten toch ook een stek in de middagkelder van het Heilig Graf en soms ook op een zolder in de latere Bloemekensgang.

Het gebouw in de Apostoliekenstraat was aanvankelijk één grote puinhoop, maar dat kon de inzet van mevrouw Raedts niet temperen. Eens het lokaalprobleem opgelost, vroeg ze zich af wat ze met de kinderen gingen doen. Zelf had ze daarmee weinig ervaring, dus deed ze beroep op twee jonge vrouwen die uit een kroostrijk gezin kwamen en dus wisten hoe kinderen aan te pakken: Mia Goossens en vooral Madeleine De Belder die vindingrijk was en originele ideeën had. Verder waren ook Gaby Van Even en Simone Looymans leidsters van het eerste uur, terwijl Marguerite Raedts hoofdleidster werd.

De jeugdbeweging hanteerde een eigen functieterminologie: de hoofdleidster had als titel Blijgemoed, de leidsters werden Goedharten genoemd en de kinderen waren Roodkapjes. Bij de start waren er 20 tot 30 meisjes, die mevrouw Raedts persoonlijk ronselde in de lagere school van het Heilig Graf. Meisjes vanaf het 2de leerjaar waren welkom en werden in leeftijdsgroepen verdeeld. In de beginjaren was er geen uniform vanwege de oorlog, later kwam dit er wel.

Op een dag combineerde kardinaal Van Roey een bezoek aan zijn zus, zuster Helena, directrice van het Klein Graf, met een bezoek aan de jeugdbeweging. De kardinaal had interesse voor alle jeugdwerking en iedereen was natuurlijk blij en vereerd met zijn belangstelling.

In 1948 verliet mevrouw Raedts de vereniging en werd als hoofdleidster opgevolgd door Madeleine De Belder. Mevr. Raedts  richtte haar blik op verdere horizonten en ging in opdracht van het ALM (Auxiliaires Laïques des Missions) in het Midden-Oosten werken. In 1987 keerde ze terug naar Turnhout en werd parochiaal helpster in de Pinksterkerk.

Tijdens het gesprek herhaalde zij meermaals dat zij enkel over de beginjaren van de Roodkapjes kon vertellen. Daarom vroeg Het Bezemklokje Lucienne Sels en Ida Van Gerven op de koffie om te weten te komen hoe het verder ging.

Ida was tijdens de oorlog op 8-jarige leeftijd Roodkapje en werd in 1954 Goedhart. Lucienne was nooit Roodkapje. Ze werd als 14-jarige Goedhart en volgde later Madeleine De Belder op als Blijgemoed. In diezelfde periode waren ook Claar Van Troy, Liliane Mennens, Francine Geivers en Ria Melis Goedharten. 

De wekelijkse bijeenkomsten

Aanvankelijk donderdagnamiddag, later zaterdagnamiddag vanaf 16.00 u - toen was het ‘s zaterdags nog de hele dag school - kwamen de kinderen naar de bijeenkomst in de Apostoliekenstraat. De ruimte werd verwarmd met een te klein ‘duveltje’, dat dus weinig gezelligheid creëerde. Er werd altijd gestart met een bezinningsmoment, een bespreking van een ernstig onderwerp of een godsdienstig thema. Om dit goed te begeleiden kregen de Goedharten een opleiding. De kinderen waren verdeeld in groepjes van 7 tot 10 per Goedhart, zodat dit bezinningsmoment rustig en intiem kon verlopen. Daarna volgde de ontspanning: balspellen, estafettes, gezelschapsspellen en als het regende werd er geknutseld.

Elk jaar kwam ook de ‘goed heilige man’ op bezoek. Vooraf gingen de Goedharten dan op bezoek bij de ouders om inspiratie op te doen in verband met het gedrag van hun kinderen. Nadat de kinderen na een gesprek met Sinterklaas naar huis waren, moesten de Goedharten zich bij hem verantwoorden. Dat was uiteraard voor iedereen ook een heel prettig onderdeel!

Op kamp!

Elk jaar gingen de Roodkapjes op kamp! Tijdens de oorlog naar Oud-Turnhout naar het Zwaneven, later naar de Kelchterhoeve in Houthalen of een boerderij in Ravels. Een kamp duurde 4 tot 5 dagen, want anders kregen de meisjes heimwee en was het niet meer plezant. De groep werd met de bagage ter plaatse gebracht door één van de ouders die over een  vrachtwagen beschikte.

De omstandigheden waren totaal anders dan nu. Er werd gekookt op open vuur, dat aangewakkerd werd met kranten. Om het zwart uitslaan van de kookketels (sidonies genoemd) te voorkomen, werden die bij het begin ingesmeerd met groene zeep, die er op het einde opnieuw moest worden afgeschraapt.  Ze deden alles zelf, iedereen hielp mee, dus geen moeders mee om te fourageren. Het warm eten bestond uit soep, aardappelen, groenten en per kind 10 cm worst, geleverd door de plaatselijke slager.  Voor het ontbijt moest iedereen een pot confituur meebrengen en siroop of poepgelei viel altijd heel erg in de smaak.

Tijdens sommige kampen sliepen ze in een koeienstal. In de zomer stond het vee immers buiten en werden de stallen geschuurd en gewit met kalk, zo dat alles kraakproper was. De Goedharten lagen achter de voederbakken van de koeien, om de kinderen die vroeger naar bed gingen niet te storen. Zij stonden ook vroeger op en kleedden zich in hun slaapruimte aan. Op een morgen merkte Ida, terwijl ze haar korset aandeed opeens twee spiedende kinderogen boven de voederbakken. De wakkere vink werd onmiddellijk met een kordaat “liggen blijven!” tot de orde geroepen.

De kinderen sliepen op strozakken, die vooraf door de Goedharten werden gevuld. Daarin kon je ’s nachts de muizen horen ritselen. Dat was echter geen probleem. Anders werd het toen er een muis in de pyjamabroek van één van de kinderen was geraakt: een verschrikkelijke gil en de broek vloog door de lucht. Wie ’s nachts moest plassen mocht gebruik maken van de ‘muziekdoos’ zeg maar plasemmer.

Na enkele dagen begon iedereen vanwege het warme weer natuurlijk ook wat te stinken en daarom werd er een wasbeurt in open lucht georganiseerd. Iedereen in zijn onderbroek en om beurt mochten ze zich afzonderen bij een emmer water. Wie hiervoor te preuts was, werd bedreigd met een stevige wasbeurt door een Goedhart.

Af en toe gebeurde er ook wel onverwachte dingen. Zo werd tijdens het kamp in Houthalen een kind erg ziek. De eenvoudige remedies zoals rust en goed laten drinken bleken niet te helpen en twee Goedharten gingen ’s avonds door het donker bos de dokter halen. Toen deze de zieke wou onderzoeken, vroeg een superbeleefde Goedhart met een lantaarn in de hand: “Dokter, mag ik u voorlichting geven?” Het bleek appendicitis te zijn en na veel getelefoneer werden uiteindelijk de ouders verwittigd en kreeg het gebeuren een happy end in het ziekenhuis.

Elke morgen ging iedereen naar de mis. Alleen een meisje dat in bed had geplast, werd vrijgesteld. Zij mocht in bed blijven tot iedereen weg was, omdat niemand dit kindergeheim mocht weten.

Na het middageten was er verplichte rust. In het begin kon niemand slapen, maar naar het einde toe wel, want iedereen was doodmoe en wou uitgerust zijn voor het bosspel in de namiddag. Nachtspel deden ze nooit, want veel kinderen waren bang in het donker. De dag eindigde met het avondlied: en nu Maria nog een kruis en keer ik rustig naar mijn kluis. Het laatste deel van de zin werd echter veranderd in: … en kleed ik mij nu uit. Dit benaderde  dichter de realiteit. Eens iedereen in bed kregen ze net als thuis van hun Goedhart nog een kus, een kruisje en een ‘pik’ tegen het heimwee. De snoep moest verplicht langzaam worden opgezogen, want dan babbelden ze niet.

Een optreden

Ter gelegenheid van het afscheid van Blijgemoed Madeleine De Belder werd het verhaal van Roodkapje door Lucienne Sels en Bernadette Van Troy als pantomime op muziek gezet. Ze oefenden op de slaapkamer van Lucienne, zo enthousiast dat het plafond beneden daverde. De voorstelling moest indrukwekkend zijn, maar mocht geen geld kosten. Alle trucs werden uit de kast gehaald: de kleding werd gemaakt uit crêpepapier, de wolf ademde door met zijn handen het deken op en neer te bewegen, de kopjes van de bloemen bewogen mee op de muziek. Lucienne weet nu niet meer hoe ze het allemaal hebben ‘geflikt’, maar het was geweldig en ze kan nu nog altijd genieten van de herinnering.

De opvang van vluchtelingen

Maria Goossens was bij het begin van de tweede wereldoorlog met heel haar gezin moeten vluchten. Dit had haar zo geraakt dat ze zich in de jaren ‘50 inzette voor de opvang van Hongaarse vluchtelingenkinderen.  De VKSJ en de Roodkapjes sloegen op haar initiatief de handen in elkaar. Er werd geld ingezameld om de kinderen eten en kleding te geven gedurende hun verblijf van drie maanden in de Kempen. Ze verbleven twee maanden in Emmaüs, werden dan verdeeld en nog een maand ondergebracht bij familie van Roodkapjes en VKSJ-ers. Er werd stof aangekocht bij Keuppens-Leysen en daarvan werd in de kledingafdeling van de school van Lucienne voor elk kind een mooi kleedje gemaakt.

Na 50 jaar werd bij Lucienne Sels thuis een reünie georganiseerd voor alle toenmalige medewerksters. Het was een leuk weerzien met zelf gemaakte patisserie. Er was zelfs een Hongaarse familie aanwezig, die op dat moment toevallig in België verbleef: moeder, twee dochters en een schoonzoon. Twee van de kinderen waren immers met Belgen getrouwd.

In de processie

De Roodkapjes gingen elk jaar in de processies van de Sint-Pieter- en de Heilig Hartparochie. Vooraf werd er ijverig gerepeteerd: in rechte rijen van vier alle bochten nemen, werd geoefend met behulp van een bezemsteel.

Het besluit

Het was een geweldige tijd, die hun jeugd echt ‘af’ heeft gemaakt en bij velen de basis heeft gelegd voor de sociaalvoelende accenten in hun latere leven.

Het Bezemklokje was benieuwd hoeveel voormalige Roodkapjes onze vereniging telt. In het archief dat Claartje en Bernadette Van Troy ons schonken vonden we alvast volgende namen terug: Christine en Ria Keuppens, Maria, Andrea en Liliane Mennens, Marguerite Raedts, Lucienne Sels, Suzanne Stakenborghs, Su Van den Brandt, Ida Van Gerven, Emmy Weemaes. Laat het ons weten, als er aanvullingen nodig zijn!

© Dani Bellemans & Het Bezemklokje 2011-2018
laatste wijziging op 20/03/2019