Boerderij in de Laguit

Start
Omhoog

 

Een boerderij in de Laguit

Jeugdherinneringen!

Marcel Coertjens, Erika Wouters en Gil Tack

Een dag nadat de leden van Het Bezemklokje in het voorjaar het domein de Paai, bezochten, fietste ons lid Marcel Coertjens met zijn vrouw door de Laguitstraat. Ze stopten om iets te drinken op het terras van de manege en geraakten aan de praat met de uitbater. Marcel vertelde hem dat de manege tijdens wereldoorlog II de boerderij was, die zijn grootouders Ward Coertjens en Lisa Prinsen, pachtten van de familie Boone-Versteylen. De uitbater was verbaasd dat Marcel niet had deelgenomen aan het bezoek aan de Paai en zelfs Het Bezemklokje niet kende. Dit was vlug recht gezet. Marcel nam contact met ons op, want hij wilde ons zijn jeugdherinneringen wel vertellen en wij wilden uiteraard graag luisteren.  

Geboren in 1938 woonde hij met zijn ouders op de Steenweg op Oosthoven in een huurhuis van de parochie naast de in 1935 gebouwde kerk van het Goddelijk Kind.

Van daaruit fietste hij dikwijls met zijn vader naar de boerderij van zijn grootouders. Ze namen de kortste weg via de Meirgoren. Nu situeren zich daar de Meirgorenstraat en de Maria Van Zimmerenstraat, van elkaar gescheiden door de Ring. Daarna reden ze over de draaibrug over het kanaal Dessel-Schoten (nu een hoge voetgangersbrug) de Laguitstraat in.

Marcel herinnert zich als kind heel veel van het leven en het werk op die boerderij. Het telen van de verschillende gewassen zoals haver, koren, tarwe,  rapen, bieten, klaver, spurrie (veevoeder),  aardappelen en gras was zeer arbeidsintensief en hoofdzakelijk mannenwerk.  
Alles begon elk jaar met het bemesten van de grond. Met paard en kar werd de mest uit de potstal naar de akker gevoerd en met de riek op het veld uitgespreid.
Vervolgens werd er geploegd. De voerman liep achter de ploeg in de ploegvoor en zorgde ervoor dat Vos, het paard, een rechte lijn aanhield.
Daarna moest met de eg, opnieuw getrokken door Vos, het veld egaal worden gemaakt en volgde het inzaaien: de boer gooide het zaad vanuit de op zijn buik hangende zaaibak op de akker. Na het ineggen van het zaaisel was het wachten op de oogst.
De rijpe gewassen werden afgereden met de pikmachine, opnieuw getrokken door het paard. Gras moest daarna enkele dagen drogen en daarom werd het bij mooi weer twee maal per dag ‘geweind’ (gedraaid). Dit handwerk gebeurde met een houten rijf (grashark). Tegen de avond werd het hooi eerst op lange rijen en daarna op hopen bijeengeharkt. Zo kon de dauw het ’s nachts niet opnieuw vochtig maken. De dag nadien werd het weer met de rijf uit elkaar gehaald. Wanneer het gras uiteindelijk goed droog was, werd het op een kar met twee grote houten wielen, elk bekleed met een stalen band, geladen. Het was daarbij de kunst om zo veel mogelijk hooi in één keer te vervoeren. Daarom was de kar voor- en achteraan voorzien van twee schuin geplaatste sponden om het opgetaste hooi tegen te houden. Het was opnieuw Vos die de kar moest trekken. Het paard was naast de twee wielen het derde steunpunt om de stabiliteit van de hoge lading te verzekeren. De kleine Marcel mocht bovenop het hooi zitten en moest zich dikwijls bukken om tijdens het vervoer naar de hooizolder niet in de takken van de bomen vast te raken. De hooizolder was boven de koestal en door de warmte van de dieren bleef het hooi droog.  

Ook het oogsten van het graan gebeurde met de pikmachine. De graanhalmen, doorgesneden door de messen van de pikker, werden met een strohalm met een speciale knoop tot een schoof gebonden. De kleine oppervlakten of door storm neergeslagen halmen werden handmatig gepikt.
De schoven droogden tot in de herfst in de schuur en werden dan gedorst met de dorsmachine. Deze werd aangedreven door een rosmolen (geubelmolen), die alweer werd in beweging gebracht door Vos, het paard. De kleine Marcel durfde enkel van op afstand naar dit gevaarlijke toestel met grote grijppinnen kijken. Kleine hoeveelheden graan werden nog met de vlegel gedorst.  

Bij het poten en rooien van de aardappelen mocht Marcel helpen. Om de 30 cm werden in de geploegde en geëgde grond kuiltjes gemaakt. Daarin legde Marcel het plantgoed, kleine aardappeltjes, met de scheutjes naar boven en bedekte ze met aarde. Later werden de planten opnieuw opgeaard om zo veel mogelijk aardappelen onder de aarde te laten groeien. Wieden was op het aardappelveld eveneens een werkje, dat Marcel aankon. Als de aardappelplanten uiteindelijk volgroeid waren, maakte vader Coertjens ze met de riek bos per bos los. Op die manier kwamen de aardappelen te voorschijn. Marcel maakte dan, met zijn knieën op een jute zak, het loof van de aardappelen los en sorteerde ze per grootte. De grote aardappelen werden van aarde ontdaan en in manden op een droge, koele plaats bewaard. De kleine werden in een ruimte naast het hondenhok in een grote ketel, boven een open vuur, gekookt. Ze dienden als voedsel voor de varkens en de kippen.

De kippen sliepen op hun ‘kippenpolder’ in de stal. Dit was een houten constructie  op 50 cm van het plafond, gemaakt van dunne paaltjes van 3 meter lengte. Met een laddertje geraakten ze in hun hoge slaapplaats, waar ze beschermd waren tegen marters of wezels. Een werkje voor Marcel was hier het rapen van de eieren. Soms gebeurde het dat een kip ergens, bijvoorbeeld op de hooizolder, een eigen nest maakte en daar haar eieren deponeerde. Dan kreeg Marcel van zijn grootmoeder de opdracht om het verborgen nest te zoeken en haar de eieren alsnog te bezorgen. 

Voor de acht koeien, die net als Vos zo veel mogelijk in de weide moesten grazen, werd klaver en spurrie als bijvoeder gezaaid en geoogst met de zeis. Bieten en rapen werden als wintervoeder gezaaid en geoogst in de herfst.
Moeder Coertjens melkte, gezeten op een driepikkel, de koeien elke dag om 6 u ‘s morgens en om 6 u ‘s avonds. Na het melken, gingen de dieren opnieuw de weide in. De melk werd in melkkitten met een goed sluitend deksel gegoten en in de waterput gehangen om te koelen. ’s Morgens werd ze door een melkerij van Arendonk opgehaald. Het schoonmaken van de melkkitten was een delicaat werkje, waarbij Marcel en zijn neefje Karel Van Tulden mochten helpen. Karel kwam op vrije namiddagen (toen nog op donderdag) en tijdens de vakantie op de boerderij spelen, maar hielp net als Marcel ook met het putten van water om de dieren te drenken.

Naast het melken deed moeder Coertjens ook het huishoudelijk werk. Eten koken deed ze op  de Leuvense stoof in de woonkamer. Als het vlug moest gaan, werd het deksel verwijderd zodat de kookpot rechtstreeks op het vuur kon staan. De afwas gebeurde in de ‘moos’, een vertrek tussen de woonkamer en de stal. Hier stond de gootsteen, maar er was geen stromend water. Dit werd in de stal opgepompt met een handpomp, aangesloten op de waterput buiten.
Brood bakken gebeurde in de oven in de slaapkamer. Deze werd aangemaakt met een mutsaard, aanmaakhout bestaande uit zeer dunne takjes Voor het brood van de huisgenoten  gebruikte moeder Coertjens meel van tarwe en rogge, voor dat voor de varkens en het paard een mengeling van rogge en haver. Nog steeds lust Marcel graag het zwarte ‘paardenbrood’ dat hij vroeger met Vos van op de rand van de paardenbak deelde.
Diepvriezers bestonden niet in die tijd. Groenten en vlees werden gesteriliseerd en als winterproviand opgeslagen in de kelder. Snijbonen en spek werden opgelegd in zout en bewaard in aarden potten. 
De was gebeurde in de aparte ruimte naast het hondenhok. Moeder Coertjens kookte het linnengoed af in dezelfde ketel waarin ze ook het varkensvoer bereidde.
Elke zaterdag schuurde zij de woonkamer. Nadien strooide zij met kunstige hand wit zand: de hoofdletters C P van Coertjens-Prinsen onder de tafel en golfjes zand als versiering rond de kasten.
Tijdens de oogst hielp de boerin op het veld met ‘weinen’ en schoven binden. Tussendoor kreeg ze ook nog vijf kinderen, vier zelfs tijdens wereldoorlog I: Jozef, de vader van Marcel, Elza, de moeder van Karel, Maria of Mit, Jan en Fons. Later vertelde ze aan haar kleinzoon Marcel hoe moeilijk de bevallingen voor haar verliepen: alle kinderen werden ‘gehaald’ met de ‘ijzers’ (forceps of verlostang). Dit gebeurde op een tafel omdat de vroedvrouw door de sponde van het echtelijk bed geen handelingen tussen de benen van de kraamvrouw kon verrichten.
Als ‘hobby’ had moeder Coertjens een bloementuin met vooral verschillende soorten dahlia’s.

De kleinkinderen denken nu nog altijd met heimwee terug aan de gemoedelijke warmte van hun hardwerkende vava en moemoe. Vooral de kerstfeesten op de boerderij waren voor hen hoogtepunten: een reuze kerstboom met echte kaarsjes en engelenhaar en voor ieder kleinkind een 'netje' met gouden (chocolade) muntstukken. Het waren feesten, waar  voor 36 familieleden werd ‘opgeschept’. Om al deze gasten te kunnen plaatsen, werden de luiken van de grote vensters gehaald en op schragen gelegd.

De boerderij van de familie Coertjens-Prinsen was een onderneming, waar alles verliep volgens een strakke, steeds terugkerende planning en iedereen zijn specifieke taken uitvoerde. Niets daarvan stond op papier, alles zat in het hoofd van vava en moemoe Coertjens opgeslagen.

Na 1950 werd de boerderij overgenomen door Jan een van de jongere zonen Coertjens, en zijn vrouw Liza. Moemoe en vava bleven eerst bij het jonge gezin op de boerderij wonen en verhuisden later naar een eigen woning op de Steenweg op Ravels in Oosthoven. 

© Dani Bellemans & Het Bezemklokje 2011-2018
laatste wijziging op 20/03/2019