Jeanne Adams

Start
Omhoog

 

Jeanne Adams : commissionaire van dienst in het Heilig Graf

Erika Wouters en Gil Tack

Jeanne Adams alias Jeanne van de Poort, Jeanne Slis (slissen is rondlopen in het Turnhouts),  Jeanne Spion, Jeanne Babbel deed jarenlang de boodschappen voor de zusters van het Heilig Graf, die vroeger door de strenge kloosterregel niet ‘buiten’ mochten. Iedereen in Turnhout kende haar, vooral de manier waarop zij op haar gemakje op de fiets door Turnhout peddelde, ondertussen alles en iedereen in ogenschouw nemend.

Het Bezemklokje mocht bij Lea Adams op de koffie om het leven en de persoonlijkheid van tante Jeanne uitgebreid te bespreken. Lea had versterking gevraagd en dus had ze ook haar neef Jef, zijn vrouw Adrienne en zijn zus Chris uitgenodigd. Al vlug bleek hoeveel er over 'Jo-tant' te vertellen was. De ene anekdote was nog niet uitverteld of een andere werd al ingezet.

Jeanne en haar Turnhout

Jeanne werd geboren op 15 augustus 1912 in de Herentalsstraat in afspanning De Witte Lelie, vlakbij de huidige Deken Adamsstraat. Vader was gareelmaker en herbergier. Door zijn beroep had hij veel contact met veekoopmannen en net als zij ging hij kwistig om met geld en drank. Toen de kinderen groter waren, steunden zij hun moeder met als gevolg - zeldzaam in die tijd - een scheiding van tafel en bed. Toch bleef hun moeder voor haar man - ook vanzelfsprekend in die tijd - eten koken en de was doen. FOTO van het gezin

Jeanne volgde de huishoudschool in de Beekstraat bij de zusters van de Heilige Harten van Jozef en Maria. (ZIE FOTO) Ze werkte korte tijd  in het atelier Keuppens-Leysen en daarna werd ze boodschapster voor de zusters van het H.Graf. Al snel werd ze de rechterhand van zuster Laurentia, de poortwachtster. Zo werd ze al vlug ook ‘Jeanne van de Poort’!

Als boodschapster had ze wel wat verantwoordelijkheid. Toch liet ze grote geldbedragen en hoog verzekerde pakjes in haar tas aan haar fiets hangen, terwijl ze haar andere boodschappen deed. De bankbedienden waren er niet gerust in, maar Jeanne was van mening dat dit wel kon in haar Turnhout. Net zoals ze er ook bleef rondrijden op een tot op de draad versleten fiets zonder op het steeds drukker wordende verkeer te letten; in de winter met een groene angora muts over haar hoed en grauw papier, ingesmeerd met een vetkaarsje op haar borst tegen de kou.

Voor de zusters was Jeanne duidelijk een duivel doet al. Toen Luc Van Herck, een geestelijke uit Antwerpen, eind jaren '50  rector werd in het H.Graf vestigde hij zich in een mooi herenhuis vooraan rechts in de Paterstraat. Dit huis gaf langs de tuin verbinding met het H.Graf. Zijn meid, een meisje uit Kasterlee, was echter niet tijdig beschikbaar en de zusters stuurden Jeanne om tijdelijk als niet-inslapende pastoorsmeid in te vallen.

Als werkneemster was ze in het klooster ingeschreven, maar haar loon werd aangevuld in natura met middageten  en een vieruurtje. Voor haar pensioenuitkering later bleek dit helaas een slechte regeling.

Jeanne en de wereld

Afgaande op haar bijnamen Spion en Babbel kan worden gedacht dat de leefwereld van Jeanne beperkt bleef tot het centrum van Turnhout. Niets is echter minder waar, want al als jong meisje ging ze op bedevaart naar Scherpenheuvel maar ze mocht ook geregeld met haar broer René mee in de Chevroletcamionette (met opschrift brouwerij Krüger). René Adams was immers bierhandelaar maar ook keurmeester bij hondendressuur en dus veel op pad. Zijn camionette werd ook gebruikt om zusters die naar de missies in Kongo vertrokken met hun massa’s bagage naar ‘den boot’ in Antwerpen te brengen. Maar Jeanne reisde ook naar Wenen, Zaragossa en natuurlijk naar Rome voor een bezoek aan de paus. Vaak vertelde ze de volgende anekdote. Toen een simpel iemand in haar gezelschap de heilige man zag riep hij totaal overweldigd: ‘Daar is ie begot, leve de paus!’

Als gelovige vrouw formuleerde Jeanne ook een maatschappijkritische visie: ‘Wat we nu hebben aan sociale voorzieningen, hebben we aan de socialisten te danken en niet aan die van het Begijnenstraatje.’

Jeanne en haar familie

Lea, Jef en Chris, onze verslaggevers en uiteraard alle 3 leden van het Bezemklokje, herinneren zich hoe plezant ze het als kind vonden bij hun tante Jeanne.  Die had houtsnijwerk uit Kongo, waarmee zij mochten spelen en ook een ‘piècekast’, een zelf bedacht woord afkomstig van pièce de theatre, wat zo veel betekende als verkleedkast. Het was een verzameling kleding, hoedjes en andere accessoires, materiaal voor uren kinderplezier. Bij tante Jeanne was er ook altijd volop eten en drinken. Haar vol au vent, waarvoor het vlees steeds gekocht werd bij Den Bols in de Paterstraat, was een vast feestgerecht voor de familie. Tijdens één van de familiebijeenkomsten had een neefje ongemerkt alle ‘kletskes’ jenever en likeur uitgedronken. Tot grote schrik van zijn ouders had hij geen kracht meer in zijn benen en men dacht zelfs aan kinderverlamming, een toen zeer gevreesde ziekte. De in allerijl geraadpleegde dokter stelde hen gerust: ‘Dat kind is gewoon zat!’ Het jaar daarop had tante Jeanne ‘fijne olie’ in de borrelglaasjes gedaan, opdat de kleine er niet meer van zou drinken.

Alle kinderen van de familie moesten zich bij hun communie verplicht aan de nonnen van het Graf laten zien. Eerst was het griezelen, want ze moesten dan door ‘den beestengang’, waar de verzameling opgezette dieren van de school was tentoongesteld. Vooral de krokodil, maar ook de okapi schrikten de kinderen af. Van de zusters kregen de eerste communicantjes dan een mooi prentje van een heilige. Eén jaar liep het mis: een nichtje kon niet zo vlug op de namen van de heilige familie komen en tante Jeanne siste kwaad in haar oor: ‘Wat zullen de zusters wel denken? Heb je dan niet opgelet in de les?’

Jeanne en de heilige zuinigheid

Lea, Jef en Chris herinneren ook de traumatiserende ‘ficenseboterhammen’. Deze Vincentiusboterhammen waren afkomstig uit de dagrefters van het Heilig Graf, de overschot van de maaltijd van de dagkinderen. Het was de taak van Jeanne om deze belegde boterhammen in porties te verdelen en verpakt in oude koekjesdozen op bepaalde adressen, o.a. bij de Bruine Paters te bezorgen. Steevast  hield ze er ook een deel van voor zichzelf. De neven en de nichten gruwden van het oude brood met de 'belegen toespijs', die ze hen geregeld opdrong en ze bedachten dan ook allerlei uitvluchten om deze niet te moeten eten. Enkel de vrijer van Chris, die in een hogere schuif lag, moest er niet van eten. Voor hem kocht ze vers brood en verse ‘frangipanekes’! Ook Adrienne, de vrouw van Jef kan van de heilige zuinigheid meespreken. Zij at bij tante Jeanne ooit gebakken ei dat naar biefstuk smaakte. Volgens Jef werd de bakboter van de biefstuk bewaard en opnieuw gebruikt om de eieren in te bakken.

Ook op haar kleding was Jeanne heel erg zuinig. Zij droeg altijd een ‘lefke’, waaraan bovenaan een klein stukje afgeknipte kant - een ‘modestieke’ - was vastgespeld met veiligheidsspelden. Haar onderbroeken aan de wasdraad zetten de familie even op het verkeerde been. ‘Had tante Jeanne echte kant aan haar onderbroeken?’ Bij nader toekijken bleken het veelvuldige reparaties te zijn in verschillende kleuren.

Jeanne woonde in de Otterstraat iets verder dan waar nu de schaatsbaan is, schuin tegenover de ijzerwinkel De Vulkaan van Jeanne Lenaerts, alias 'Jeanne Leen'. Daar ging ze alle dagen het afgekookte soepvlees halen, want dat at zij graag met mayonaise. De voordeur van haar huisje was een afdanker van kennissen die verbouwd hadden, maar Jeanne was er best  tevreden mee. (FOTO). Later verhuisde ze iets verderop in de straat bijna aan de draai naar de Boomgaardstraat. Eens op pensioen ging ze op het Begijnhof wonen in het middelste van de 3 hoge huizen vooraan links. Het was een groot huis met comfortabel zitbad. Dit comfort hoefde ze echter niet. Steevast zei ze:‘Als ik stink, moet je het maar zeggen!’

Ze stierf in het rusthuis van Sint Lucia op 23 januari 1997. Op haar doodsprentje lezen we

"Ik heb getracht om goed te doen, vergeef me als ik faalde."

 

© Dani Bellemans & Het Bezemklokje 2011-2018
laatste wijziging op 20/03/2019