Gevangenis

Start
Omhoog

 

Uit ledenblad 16

Ons leven in de gevangenis van Turnhout

In maart vorig jaar werden wij, drie zussen Mennens, hartelijk ontvangen bij Erika Wouters thuis, één van de drijvende krachten in de werking van Het Bezemklokje. Erika vroeg ons al  langer om een artikel te schrijven over onze jeugd in de gevangenis van Turnhout, waar wij in de jaren ‘50 en ‘60 met ons gezin woonden. Onze pa was er immers in die periode directeur. Het werd een gezellige babbel, waarbij allerlei anekdotes boven kwamen.

In  de loop van de 19de eeuw werd  het kasteel van Turnhout gebruikt als gevangenis,  maar in 1898  besloot het Ministerie van Justitie tot de oprichting van een moderne celgevangenis voor mannen en vrouwen volgens het Amerikaanse Pennsylvaniamodel (ook Philadelphiamodel genoemd). Hierbij is de gevangenis opgebouwd volgens een stervormig model met een centraal controlecentrum waarop de vleugels met de cellen en een administratieve gang zijn ingeplant. In 1904 was het gebouw voltooid en werden de gevangenen overgebracht van het kasteel naar de gevangenis in de Wezenstraat.

Echte  Turnhoutenaars weten  wel dat dit een heel aparte straat was. Destijds was er aan de onpare kant slechts één huisnummer, namelijk het nummer 1 van de gevangenis met binnen dit hele complex de woningen van de directeur (rechts van de hoofdingang)  en van  de adjudant (links). Aan de overkant lag de boerderij van het oude gasthuis en stonden ook de gebouwen van de Openbare Onderstand. Deze moesten samen met het gasthuis en de kapel ooit plaats maken voor de huidige Warande. Dan was er nog op het einde van de straat, in de Kasteeldreef (waar zich nu de gebouwen van Sint Victor bevinden), als een echte blikvanger het ‘Oud-Mannekeshuis’, zoals men toen zegde. Aan de linkerkant daarvan stond een rij  kleine huisjes en rechts in de diepte was er een deurtje dat toegang gaf tot het Begijnhof. Hoe dikwijls hebben wij voor ons ma verstelwerk weggebracht naar zuster Temmerman, de voorlaatste begijn. Om het straatbeeld  te vervolledigen, moet ook nog de rijkswachtkazerne of de gendarmerie vernoemd worden, gelegen op de hoek van Wezen- en Warandestraat waar rijkswachters met hun gezin woonden.  Het was dus geen gewone straat!

Hier werd onze pa, Gerard MENNENS,  in 1951 benoemd tot directeur tweede klasse. Op dat ogenblik had pa al een hele carrière opgebouwd in het gevangeniswezen, want hij was in 1920 als hulpklerk begonnen  in de gevangenis van Oudenaarde en werd daarna in Hasselt benoemd  als klerk. Na zijn huwelijk met Emma Thoonen in 1931 werd hij paviljoenoverste in Hoogstraten, waar zes van de zeven kinderen werden geboren. Daar was hij vanaf 1943 adjunct-directeur in het Penitentiair Schoolcentrum. In 1944 werd hij bevorderd tot directeur vierde klasse in de gevangenis van Tongeren en daar werd zijn zevende kind geboren. Drie jaar later kwam de bevordering tot directeur derde klasse in de centrale gevangenis van Leuven.  Wij hadden dus al heel wat omzwervingen gemaakt toen we in april 1951 in Turnhout belandden, waar we onze jeugdjaren doorbrachten.  Ook al zijn we geen echte Turnhoutenaars van geboorte, toch hebben wij, de vier jongsten, vooral uit die tijd de meeste herinneringen bewaard. Op dat ogenblik zat Pollie, de jongste, in het eerste studiejaar  in St-Victor en de meisjes gingen na de Paasvakantie naar het H. Graf:  Dea naar het tweede, Maria naar het vierde studiejaar en Liliane naar  het tweede Middelbaar. Onze twee oudere zussen, Gaby en José, hadden hun studies inmiddels ongeveer voltooid. Onze oudste broer Milo maakte zijn humaniora af bij de Jezuïeten en studeerde later verder in Leuven.

Uiteraard maakte het op onze klasgenoten, vriendinnen en vrienden wel een grote indruk dat wij in de gevangenis ‘woonden’. Natuurlijk vormden wij een gewoon gezin en woonden wij  in een apart huis,  maar wel binnen de muren van het gevangeniscomplex. Het was dus vanzelfsprekend  een hele onderneming  om binnen en buiten te geraken. Onze voordeur bevond zich in de ruimte tussen de hoofdingang en een  tweede binnenpoort die toegang gaf tot een grote binnenkoer. We moesten telkens met een belsignaal de portier oproepen vanuit het centrale gebouw. Hij moest daarvoor met verschillende sleutels twee poorten openen, een buitentrap afdalen, de binnenkoer oversteken en dan de grote houten binnendeur openen, waarachter wij stonden te wachten. Dan pas kon hij met een grote sleutel de ijzeren buitenpoort openen. Deze buitenpoort is nog steeds in gebruik, maar de glazen wand die later aan de binnenkant werd bevestigd, maakt nu het geheel ondoorzichtig van buitenaf.  Met de auto vertrekken en thuis komen was nog een groter avontuur, want dan moesten de twee poorten tegelijkertijd open en was er extra personeel op de been. Dit gebeurde niet vaak en het is dan ook duidelijk dat dit telkens een spannende en zenuwachtige bedoening was. Wilden we terug binnen geraken, dan herhaalde zich hetzelfde scenario. Als je bedenkt dat dit systeem van 6 uur ’s morgens tot 10 uur ’s avonds gold en wij met negen gezinsleden waren,  dan is het duidelijk dat de portier heel wat moest ‘afstappen’. Vooral voor ons Liliane, die vele vriendinnen had, moest de portier wel heel dikwijls opdraven!  Op dit ogenblik hebben de twee directiewoningen elk een eigen ingang. Wij vonden het wel romantisch dat wij door het traliewerk van de buitenpoort met een hand of een kus afscheid konden nemen van een ‘lief’! De aandachtige lezer zal opmerken dat de ‘vrijers’ voor tien uur buiten moesten, want de nachtportier ging dan slapen. Als pa akkoord was, konden onze aanbidders wat langer blijven, want hij had ook een sleutel van de hoofdingang. Naar een bal of een fuif gaan bracht problemen met zich mee want pas om 6 uur ’s morgens konden we opnieuw aanbellen. We hadden dus de keuze: voor 10 uur thuis zijn of naar de vroegmis gaan om 6 uur bij de Bruin Paters. Daar zaten we dan, weinig geconcentreerd onze zondagsplicht te vervullen tussen de vissers en andere vroege of late vogels!

De binnenkoer was eigenlijk onze speelplaats, alhoewel we ook een tuin hadden (uiteraard ommuurd). Pollie en Maria waren fervente voetballers, maar ruiten zijn er nooit gesneuveld.  Daar speelden we ook met de knikkers. Interessant om te vermelden is ook dat er rond een deel van het gevangeniscomplex een brandgang liep van ongeveer anderhalve meter breed met aan weerszijden een hoge muur van zeven meter met glasscherven op om ontsnappingen te verhinderen. In die brandgang mocht Maria haar bokje laten grazen want pa wilde niet dat ze dat deed op het grasveld rond het kasteel! Als we op de binnenkoer wilden spelen, moest de portier er weer aan te pas komen. Dat spel was dus gebonden aan bepaalde tijdstippen. Natuurlijk kon dit niet als er gevangenentransporten (o.a. van en naar het gerechtshof) waren of  tijdens de bezoekuren voor de families van de gevangenen. Ons salon gaf uit op de binnenkoer en als er iets bijzonders gaande was, mochten we er niet naar kijken. Ooit was er een moord gebeurd  in Tielen en toen na dagen klopjacht de moordenaar werd binnengebracht, stonden we toch aan het raam. Toen Dea spontaan reageerde: “Da’s ne knappe!”, kreeg ze prompt een draai om de oren en we werden weggestuurd.

In het ledenblad kan u nog meer lezen over ons leven in de gevangenis van Turnhout.

Andrea, Maria en Liliane Mennens 

  

© Dani Bellemans & Het Bezemklokje 2011-2018
laatste wijziging op 05/07/2019