jezuieten

Start
Omhoog

 

De jezuïeten verlaten Turnhout

De laatste jezuïeten verlaten in februari 2009 Turnhout.  Daarmee komt een einde aan 163 jaar aanwezigheid in onze Stad.  Eén pater, Bert Rosseel, blijft wel omdat hij de Pinksterkerk leidt.  In een artikel, gespreid over 2 nummers van ons ledenblad, willen we met een korte geschiedenis, hulde brengen.

Het ontstaan  van het Jezuïetencollege ligt in feite in Gierle, waar Pieter-Jan   De Nef geboren werd op 16.11.1774  in een grote pachthoeve , nabij het Grotenhoutbos,  destijds jachtterrein van de hertogen van Brabant. .

In 1790 begon Pieter-Jan zijn studies aan de Latijnse school in Turnhout. In de Kempen waren zowat 18 secundaire Latijnse scholen, o.m. in Arendonk, Gierle, Kasterlee en Dessel. Naast de lokale studenten, waren er vele van (ver) buiten de streek.  Deze studenten woonden meestal bij particulieren.

Na zijn studies in Turnhout  ging Pieter naar de Universiteit in Leuven en het is zeer waarschijnlijk dat hij priester  zou  geworden zijn.  Evenwel, de Franse bezetter sloot op 25.10.1797 niet alleen de universiteit maar ook de seminaries, kloosters en abdijen. De Sint-Pieterskerk werd toen ook gedegradeerd tot paardenstal.

In 1799 trad generaal Napoleon aan als ‘Le Premier Consul’ en begon er ook in Turnhout een voorspoedige periode, vooral door de fabricatie van tijk (een grove, damastachtige, stofdichte stof voor beddezakken)  De export nam een hoge vlucht.

De grootste fabrikant was Petrus  Borghs, later burgemeester, bij wie De Nef ging  werken als ‘commis-voyageur’ voor Nederland en Frankrijk. Toen hij 31 jaar werd stond al op zijn naamkaartje: ‘Associé de la maison de Mr Borghs’.

Via zijn reizen, ontdekte hij de voordelen van de ruilhandel met als gevolg dat hij een wijnhandel oprichtte die al snel befaamd werd in gans de Kempen. Vanaf 1810 fabriceerde hij ook tijk. Zijn groot fortuin zou hij levenslang aanwenden voor de goede doelen die hij zich had gesteld: de armen en wezen in Turnhout, zijn door hem opgerichte Latijnse school en ook zijn grote morele en financiële hulp aan de Jezuïeten en hun missies in Amerika.

In 1810,  huwt Pieter-Jan de welstellende 19-jarige Johanna-Cornelia Valé.  Zijn oude patroon Borghs was getuige op het huwelijk.  De vader van de bruid, een Antwerpse advocaat, had zich in Turnhout gevestigd en dreef er ook handel.

Ook sociaal kende De Nef succes.  In 1811 wordt hij voorzitter van de kerkfabriek en ook ‘lichtdraegende confreer van de broederschap van de berigting’.

Pieter-Jan De Nef werd omschreven als een verstandig, innemend en edel man, voornaam, zeer gelovig, met een natuurlijke eenvoud en een grote mensenkennis.

Omstreeks deze periode woonde De Nef  in het voormalige huis Ter Bruggen, in de Begijnenstraat. Later zou dit de ‘école moyenne’ worden.  Daar ook werd in 1812 zijn enig kind geboren: Maria-Petronella-Joanna-Catharina.

In 1807  leert Pieter-Jan de 24-jarige bakkerszoon Jan Timmermans kennen die priester wou worden, wat evenwel niet ging wegens zijn werk. Onze weldoener besluit dan om zelf aan  Jan les te geven, na diens werkuren. De Nef had immers een niet al te hoge dunk van de bestaande Latijnse school.  Na 4 jaar studie werd Jan toegelaten tot het groot-seminarie. Later werd hij pastoor te Merksplas en gedurende gans zijn leven de vriend, vertrouweling en biechtvader van Pieter-Jan.

In 1811 verkondigde een nieuw decreet dat o.m. alle klein-seminaries afhankelijk maakte van Parijs, reden voor De Nef om verder te gaan met zijn Latijnse school.

Ondertussen verloor het Franse leger op alle terreinen, zo ook in 1814 in Hoogstraten tegen het Pruisisch leger. Er vielen toen 6.000 doden.

Op 5.4.1814 deed Napoleon troonsafstand.  De overwinning werd evenwel voor het gezin De Nef een afschuwelijk drama.  Bij hem waren er Kozakken ingeburgerd die nogal eens voor kabaal zorgden.  Toen er op een bepaald ogenblik in de zoldering werd geschoten schrok zijn vrouw dermate dat ze erg ziek werd, wegkwijnde en een jaar later, in 1815 overleed.

Diep ongelukkig dacht De Nef terug aan het priesterschap doch zijn vriend, pastoor Timmermans, raadde hem aan om verder te gaan met zijn Latijns onderricht.  België was nu wel verenigd met Nederland maar daar domineerde het Calvinisme, met Koning Willem en zijn grote invloed op het onderwijs.  De Kerkelijke overheid vroeg De Nef  om zeker zijn school verder te zetten.

De Nef wilde toen ook zijn steun geven aan de missionarissen in Amerika.  Zijn hulp was bijzonder groot.  Naast o.m. oud-studenten die priester en missionaris werden, bekostigde hij van velen  hun reis en huisraad.

Toen het huis in de Begijnenstraat te klein werd kocht De Nef, in 1820 het statige huis Vloers in de Herentalsstraat, op de hoek van de huidige Deken Adamsstraat.  Terstond begon de bouw van klaslokalen.  Daar kende de ‘Institutie  P.-J. De Nef’ haar grootste bloei. Burgemeester Sanen, alhoewel hij in de bestuursraad zat, was de instelling niet erg gunstig, want hij vreesde concurrentie met het aan de overkant gelegen stedelijk ‘Koninklijk’ college. Later zou de relatie tussen beide colleges zeer sterk verbeteren, en konden de leerlingen van de ‘Institutie’ in het Koninklijk college de lessen volgen van de vakken die niet bij De Nef werden gegeven.  In het schooljaar 1825-1826 telde de ‘Institutie’ 47 leerlingen.

Door algemene mistevredenheid over het Koninklijk college ging dit uiteindelijk over in 1830 naar de Institutie van De Nef.  Dit zou voor de stad  een grote besparing zijn.  Bij De Nef logeerden 8 à 12 armere studenten, evenals 4 leraars. De studenten van buiten Turnhout, logeerden bij particulieren.  Ook voor hen betaalde De Nef de kosten van logies. Er waren dan 140 leerlingen.

Vanaf 1830 ging De Nef zich van langsom meer in politiek interesseren.  Zijn belangrijkste drijfveer was zeker van godsdienstige aard.  Hij werd toen door het Voorlopig Bewind tot districtscommissaris aangesteld, en werd eveneens wijkkapitein van de burgerwacht.  Op 3 november 1830 werd hij lid van het Nationaal Congres.  Zij moesten een nieuwe grondwet uitwerken, die klaar was op  21 juli 1831.  In 1832 waren de  eerste verkiezingen voor de Kamer.  De Nef werd verkozen en tijdens dit mandaat ijverde hij ook voor de aanleg van wegen en kanalen in Turnhout en omgeving.

De school floreerde verder met 140 studenten. Tot in 1837 bleef ze kosteloos.  Met de regelmaat van de klok bleven studenten van De Nef aan de universiteiten en groot- seminaries bewijzen dat hun opleiding van een zeer hoog gehalte was geweest.  Zo brachten ondermeer een 8-tal  het later tot abt van een abdij.

Toen zijn dochter in Brugge in het Engels klooster was afgestudeerd liet De Nef haar ook Engels onderwijzen, vooral voor de toekomstige missionarissen.

In 1835 werd in Hoogstraten het klein- Seminarie opgericht. Vanaf dan kwam bij De Nef de idee op om zijn school later over te dragen aan  een religieuze orde.

Door gebrek aan voldoende gebouwen voor het internaat, gingen de Jezuïeten niet direct in op de vraag van De Nef  om zijn college over te nemen.

In 1837 werd De Nef opnieuw verkozen voor de Kamer, met 607 stemmen op de 690. In 1840 ontstond een strijd tussen katholieken en liberalen voor de vrijheid van onderwijs. Het ging om een anti- clericalistische strijd . De Nef verweerde zich hard.   In Turnhout werd het leegstaande Sepulcrienenklooster geweigerd door de liberalen toen  De Nef er een internaat voor zijn school wilde inrichten.

Op 13 november  1844 overleed  De Nef  en werd begraven in Gierle. Zijn dochter erfde de school.

Een grafsteen te Gierle, een gedenkteken in de Sint-Pieterskerk te Turnhout  en de straat die zijn naam draagt in Gierle en Turnhout, maar ook in Oregon, in Amerika met het De Nef- meer en de Turnhout- bergstroom, maken dat hij verder in onze herinnering zal blijven leven. Een werkelijk ‘grote’ man, die via zijn levenswerk, het latere Jezuïetencollege, mede de faam van Turnhout maakte.

wordt vervolgd.

© Dani Bellemans & Het Bezemklokje 2011-2018
laatste wijziging op 20/03/2019